Leah’s dagboek – deel 1.

Dag 1.

Hoe lang zal het duren voordat je merkt dat ik weg ben? Een dag? Twee dagen? Een week? Ik heb geen idee hoe vaak je aan me denkt. Het zou me ook niet uit moeten maken – het verandert niets aan de situatie. Maar het maakt me wel uit. Ik wil dat je mijn afwezigheid opmerkt. Ik wil dat je me mist, net zoveel als ik jou mis. Nu al. Ik wil dat je weet hoeveel pijn het doet. Niet omdat ik wil dat je het begrijpt, dat zou verspilde moeite zijn. Nee, ik wil je straffen. Als ik heel eerlijk ben is dat het: ik wil je gewoon keihard straffen: ik wil dat je pijn hebt. Omdat jij het ergste bent dat mij ooit is overkomen. Je moet kapot gaan van verdriet, omdat jij mij kapot hebt gemaakt. Niet te repareren kapot. Ook al had je geen idee.

Dag 2.

Ik ben nooit een prater geweest. Veel mensen verwarren stilte met verlegenheid, maar ik zou mezelf niet verlegen willen noemen. De meeste woorden zijn het simpelweg niet waard om uitgesproken te worden. Zodra je gedachten door je mond de lucht in worden geslingerd, ben je de controle erover kwijt, en zijn ze overgeleverd aan de interpretatie van anderen. Men zou er goed aan doen zijn gedachten wat vaker voor zichzelf te houden. De wereld zou er een stuk aangenamer van worden. Vrediger ook, waarschijnlijk. Ik heb nooit begrepen wat mensen ertoe drijft hun mening, gezouten of ongezouten, uit te sproeien over de wereld. Woorden zijn giftig. Ze bederven alles.

Soms zeg ik je naam, hardop. Soms schreeuw ik hem zelfs. Alleen als er niemand in de buurt is natuurlijk. Op één of andere manier doet het me goed om je naam te horen, ben je daardoor even wat dichter bij me. Maar woorden zijn giftig, zoals ik al zei. En jouw naam nog meer dan andere woorden. Hij is verslavend. Soms droom ik dat ik niet meer kan stoppen met het roepen van je naam. Dat die klank voor eeuwig de enige is die ik nog kan produceren.

Dag 3.

Zou je me al missen? Vast niet. Ondertussen gaat er nog steeds geen minuut voorbij dat ik niet aan jou denk. Maar met die kwelling heb ik inmiddels leren leven. Leren overleven, kan ik beter zeggen.

Ik blijf maar denken aan onze eerste ontmoeting. Soms vind je iets waarnaar je niet op zoek bent. Iets wat je helemaal niet wílt vinden. Ik vond jou. Ik kon er niets aan doen. Had ik het maar geweten, dan had ik het voorkomen. Koste wat het kostte. Alles ben ik kwijtgeraakt door jou. Mijn zelfvertrouwen, mijn waardigheid. Mijn verstand. Mezelf.

Wat zou je aan het doen zijn? Het is donderdagmiddag. Morgen ben je vrij. Waarschijnlijk ga je vanavond de kroeg in. Met haar. Zij een rosé, jij een cola light. Of een biertje, als je in een goede bui bent. Rond middernacht zal je haar vragen of ze met je mee naar huis gaat. Zij zegt ja, gewillig als ze is. Als je geluk hebt beft ze je nog even, voordat jullie zorgeloos in slaap vallen. Wat een leven.

Dag 4.

Het was niet genoeg om je alleen te blokkeren op Facebook. Ik kon mezelf er vandaag niet van weerhouden om je te deblokkeren en je tijdlijn te bekijken. Je hebt me nog volledig in je macht, ondanks mijn ultieme poging mezelf van jou los te maken. Ik heb mijn Facebookaccount verwijderd. Ik moet mezelf beschermen.

Ik had gelijk. Je zat in de kroeg. Zij een rosé, jij een biertje. #weekend.

Advertenties

Verliefd

Twintig jaar was ze, en smoorverliefd. Verliefd op een ‘foute’, charmante kermisklant, maar verloofd met een nette, hardwerkende man uit een goede familie, die haar ouders aan haar hadden voorgesteld. Ze leed aan een zichtbare oogafwijking en moest volgens hen daarom blij zijn dat er überhaupt iemand was die met haar wilde trouwen. Op haar huwelijksdag nam ze in het diepste geheim afscheid van de kermisklant, haar prins op het witte paard. Ze bloosde, zelfs na al die jaren, nog altijd wanneer ze over hem sprak. Hoewel ze hem na die geheime romantische ontmoeting nooit meer zag, was hij nooit uit haar gedachten verdwenen.

In de eerste jaren van haar huwelijk beviel ze van drie prachtige dochters. Haar echtgenoot deed wat van hem werd verwacht: hij bracht brood op de plank en behandelde haar met het respect dat ze in haar jeugd zo tekort was gekomen. Toch was er van liefde geen sprake: ze vond hem passief en hij was een afwezige vader. Ook kon hij ‘liegen dat het gedrukt stond’, zoals ze dat zelf nog altijd met een verbeten gezicht kon zeggen wanneer ze jaren later tegen haar kinderen over hem sprak. Het huwelijk eindigde, op haar initiatief, uiteindelijk na vijftien jaar. Als een van de eerste gescheiden vrouwen in die tijd bleef ze achter met drie puberdochters, die ze in haar eentje grootbracht tot lieve, intelligente, zelfstandige vrouwen.

Ze ontmoette de liefde van haar leven. Hij was een warme, gezellige man met twee gouden handen. Ze waren allebei gek op spelletjes: ze konden samen bloedfanatiek sjoelen of scrabbelen, braken hun hoofd over cryptogrammen, waren fervente schaatsers en op de camping waren ze beroemd en berucht als ongeslagen midgetgolfduo. Ze was dolgelukkig met hem. Zonder twijfel waren ze samen oud geworden, als er niet op een doodgewone avond twee politieagenten bij haar hadden aangebeld om te vertellen dat haar levenspartner op zijn vijftigste na het schaatsen was bezweken aan een hartaanval.

Dat moment tekende de rest van haar leven. Ze was getraumatiseerd, bij tijd en wijle zwaar depressief en sommige mensen zouden zelfs zeggen dat ze verbitterd was. Van mannen moest ze niets meer hebben: ze zou voor de rest van haar leven alleen blijven. Haar hart zat op slot en de enige mensen die de sleutel hadden, waren haar drie kinderen en haar zeven kleinkinderen, waar ze apetrots op was. Ze was een enthousiaste oppasoma, die regelmatig volledig verzorgde logeerpartijen en bordspeltoernooien organiseerde voor de kinderen van haar dochters.

Toen werd er Alzheimer vastgesteld. Zelf wuifde ze die diagnose altijd honend weg, maar haar kinderen en kleinkinderen wisten wel beter: ze vergat haar pincode, kon de weg naar huis niet meer vinden, haalde de namen van haar kinderen door elkaar en haar eerder zo geliefde cryptogrammen liet ze links liggen.

Haar dochters deden wat ze konden. Toen ze niet meer durfde te pinnen, vulden ze iedere week haar envelop met contant geld aan. Toen ze niet meer naar de supermarkt kon fietsen, deden ze om de dag boodschappen voor haar. Toen ze niet meer kon koken, brachten ze dagelijks een maaltijd langs. En een fles wijn. Alcoholvrij, want ze kon niet meer onthouden hoeveel glazen ze al had gedronken.

Toch kwam het onvermijdelijke moment dat ze naar een verpleeghuis moest. Hoewel ze haar familie altijd luid en duidelijk kenbaar had gemaakt dat ze er liever een eind aan maakte dan ‘tussen de senielen te eindigen’, zat er niets anders op dan deze ooit zo onafhankelijke vrouw naar een instelling te doen verhuizen.

Het afscheid van haar thuis, haar eigen spullen en haar vertrouwde sociale omgeving was verschrikkelijk en hartverscheurend. Voor haar, maar ook voor haar familie. In de eerste weken na haar verhuizing kwamen ze haar iedere dag opzoeken. Ze smeekte hen om haar mee te nemen. Weg van daar. Terug naar huis. Ze had toch niets verkeerd gedaan? Waarom werd ze gestraft?

Niet lang daarna gebeurde er echter iets wat niemand had verwacht. Ze werd verliefd. Op meneer Van den Berg. Zijn voornaam kende ze niet, maar die was ook niet van belang. Wat wel belangrijk was, was dat hij haar hand vasthield als ze samen in hun luie stoel in de woonkamer van het verpleeghuis zaten. Dat hij haar een kus gaf aan de eettafel. Dat hij bezorgd aan de verpleging vroeg waar ze was als ze niet op haar vaste plek zat en dat hij een vertrouwd gezicht werd in een voor haar vreselijk verwarrende en onveilige omgeving. Dat hij haar bij een andere naam noemde en in de veronderstelling was dat ze al zestig jaar getrouwd waren, dat deed er niet toe.

Op haar 74e verjaardag werd haar familie, die op bezoek was, bij de verpleging geroepen. Die nacht was ze door de nachtbewaking van het verpleeghuis van de kamer van meneer Van den Berg gehaald. Ze lagen samen halfnaakt in elkaar verstrengeld in zijn eenpersoonsbed te slapen.

Vierenzeventig jaar was ze, en smoorverliefd.

Irene

Ik weet natuurlijk wannéér, en waar. Maar nog steeds, zelfs na al die tijd, is het voor mij één groot raadsel hoe het gebeurde. Hoe het kón gebeuren. Had ik iets anders kunnen doen? Ik geloof graag van niet. Sommige krachten zijn nu eenmaal sterker dan wijzelf. Verlangen kan een onschuldige zonde zijn, soms zelfs een deugd, maar zeker niet incidenteel is het een vorm van geweld. Verlangen kan je opvreten, met huid en haar verslinden en halfverteerd weer uitspugen. Om nog maar te zwijgen over liefde. Verliefdheid is per definitie een desastreus en onvermijdelijk verschijnsel; een noodlottige, zondige predestinatie die slechts enkelen onder ons bespaard blijft.

Die eerste ontmoeting. Hij leek zo onschuldig. Terwijl de inhoud van mijn doorweekte tas uitgebreid werd doorgelicht door de bewaking, probeerde ik de natte slierten haar die langs mijn gezicht hingen tevergeefs te fatsoeneren. Nadat ik de norse bewaker duidelijk had gemaakt dat ik mijn dictafoon toch echt nodig had voor het interview, mocht ik plaatsnemen in de wachtruimte. In mijn hoofd nam ik nog één keer de vragen door.

Na enkele minuten ging de deur van de wachtruimte krakend open. Ik stond op, en in plaats van naar een geitenwollen sok van middelbare leeftijd – ik realiseerde me pas dat ik dat beeld van haar had toen het niet bleek te kloppen – keek ik naar een kleine vrouw met ontelbaar veel zomersproeten op haar vriendelijke gezicht. Haar lange rode haren had ze losjes in een paardenstaart bijeen gebonden. Door haar gitzwarte wimpers keken twee glinsterende, groene ogen me aan toen we elkaar een hand gaven. Dit was het moment. Hier had ik me moeten losrukken. Ik had moeten rennen, zo hard en zo ver mogelijk. Maar dat deed ik niet.

Ze nam me mee naar haar kantoor en bood me een stoel aan. Met trillende handen haalde ik mijn notitieboekje uit mijn tas en kwam er toen achter dat de pen door de bewaking uit de ringband was gehaald. Ik voelde mijn wangen rood aanlopen. Glimlachend haalde ze een ballpoint uit de bovenste la van haar bureau en reikte hem aan. Met een schaapachtige grimas op mijn gezocht pakte ik het schrijfgerei van haar over en ik voelde haar vinger kort over de rug van mijn hand gaan. Een scherpe steek schoot door mijn onderbuik en in een reflex trok ik mijn arm terug: één van de laatste vergeefse pogingen van verzet.

Ik had dit interview tot in den treure voorbereid: de avond ervoor had ik het zelfs nog geoefend met mijn vrouw, maar ineens was het alsof alles in mij op slot ging. Dit was een verloren zaak. Van het gesprek herinner ik me niets meer. Geen vragen, geen antwoorden, slechts het gaatje in haar blouse waar ooit een knoopje had gezeten.

Hoewel ik van mijn baas duidelijk de opdracht hadden gekregen om na het interview direct te vertrekken, accepteerde ik het aanbod van een rondleiding door de gevangenis. Zwijgzaam volgde ik haar door de gangen van de instelling. Koortsachtig probeerde ik te luisteren naar haar uitleg over de functie van de multidisciplinaire samenwerking, de opbouw van de afdelingen en de voor- en nadelen van de bureaucratische protocollen, maar tevergeefs. Ze leek te zingen op een onhoorbare melodie en alles wat ik hoorde waren de tonen van haar zachte stem. Ik verstond geen woord van wat ze zei en had alleen maar aandacht voor de manier waarop ze een pluk haren achter haar oor streek, hoe ze af en toe haar lippen bevochtigde, hoe er zich in haar gezicht kleine rimpeltjes vormden als ze haar groene ogen lichtjes samen kneep. Alles in haar gezicht trok aan mijn hart en ze wist het. Ze speelde met me.

We reden samen terug naar Amsterdam, want zij bleek daar ook te wonen. Toen ze me afzette bij het centraal station, bedankte ik haar voor de lift en ze wenste me veel succes het uitwerken van het interview. Ik zag hoe haar auto rechts afsloeg bij de stoplichten. Met mijn laptoptas in mijn hand en mijn gevoelloos geworden voeten in de sneeuw zag ik haar met een rotgang mijn leven weer uitrijden. Dacht ik. Was dat maar zo.

De tweede ontmoeting. De duivel droeg Prada en Chanel No. 5 en schonk een cabernet sauvignon uit 2009. Een dodelijke combinatie, zouden de naïeven graag beweren. Maar dat was het niet. Nee, omstandigheden zijn slechts bliksemafleiders en externalisatie is voor de zwakkeren der samenleving. Willen wij werkelijk het gevoel hebben enige invloed te kunnen uitoefenen op onze toekomst, dan is het noodzakelijk om zo eerlijk mogelijk te zijn, tegen onszelf welteverstaan: het is immer en altijd die verdomde eigen wil die ons geschonken is, die ons de das om doet.

We praatten over haar werk, over haar man en haar kinderen, over de zwangerschap van mijn vrouw. De onderwerpen deden een andere omstandigheid vermoeden, maar de ambiance verried onze intenties: het vermeden thema hing dreigend in de slechts door kaarsen verlichte kamer en trok als een dichte sluierbewolking langzaam over onze hoofden. Ik dacht hem te horen knisperen in het haardvuur, maar misschien was het enkel mijn geweten dat tegensputterde terwijl het langzaam verschroeide.

Het is moeilijk terug te halen, hoe snel de avond en daarmee de beneveling vorderde. Zij was gaan liggen op haar donkerblauwe sofa en haar lange haren lagen als een bronzen tapijt gedrapeerd over haar blote schouders. Ze wenkte me, eindelijk, en als een blinde volgeling deed ik wat ze van me vroeg. Haar wens was mijn bevel, en haar bevel was mijn wens. Haar satijnen jurk gleed geruisloos van haar lichaam alsof het hier een goddelijke toestemming betrof, ofschoon wie zwijgt natuurlijk slechts líjkt toe te stemmen. Quae volumus, credimus libenter.

De rest is geschiedenis. Hoe mijn tong geen genoeg kreeg van haar gifzoete lippen, hoe mijn handen verslaafd raakten aan haar zijdezachte huid en hoe ik in trance raakte van haar hese stem, die enkel mooie woorden fluisterde. Hoe ze het vuur in mijn lichaam wist op te stoken tot een hoogtepunt waarbij ik even vreesde het leven te laten. Hoe dat hoogtepunt abrupt werd verstoord door zware stappen in de gang en hoe slechts luttele seconden daarna de kamerdeur openvloog.

Hoe ik in een paar uur mijn baan, mijn trouwring en mijn waardigheid verloor. Hoe de ongeboren vrucht plots geen uitverkoren levensschets met twee moeders, maar een ordinair voorkomen in een eenoudergezin te wachten stond. Verliefdheid is per definitie een desastreus en onvermijdelijk verschijnsel; een noodlottige, zondige predestinatie die slechts enkelen onder ons bespaard blijft.

De verlosser

“A.u.b. geen grapjes maken over het bezit van wapens”, verzochten de schreeuwerige hoofdletters op het A-viertje dat tegen het kogelwerende glas van de balie was geplakt. Toen hij de poortjes naderde, ontdeed Martin zich van zijn broekriem en zijn schoenen. “Hebt u piercings?” vroeg één van de bewakers terwijl Martin door de poortjes werd begeleid. Martin trok een wenkbrauw op. Kijk naar me, idioot. Zie ik eruit als iemand die voor zijn plezier een naald door z’n lichaam laat jassen? Ik ben godverdomme vierenzestig. Hij hoorde de handboeien aan de riem van één van cipiers achter hem ongeduldig rinkelen. Terwijl hij uitgebreid werd gefouilleerd, twijfelde Martin of hij de Prins Albert-grap zou maken, maar aangezien ze hier blijkbaar niet gediend waren van een beetje humor, hield hij zich in. Het was verstandig, zeker in het begin, om de bewakers te vriend te houden: dat wist hij inmiddels.

Nadat zijn tas was gecontroleerd, werd Martin door maar liefst drie mannen van de beveiliging begeleid naar de centrale hal, waar een grietje van begin twintig met hoogblond opgestoken haar op hem stond te wachten, klaar om hem te laten zien waar hij, als alles goed ging, nog drie jaar van zijn leven ging doorbrengen. Het meisje droeg een mantelrokje dat net iets te kort was voor deze omgeving. “Dag meneer Müller, ik ben Leontien.” Martin kende dit soort meisjes. Deze jongedames kwamen meestal binnen als administratief medewerkster of assistent-hoofdbehandelaar, ze hadden dan net hun opleiding afgerond en waren klaar om de wereld te verbeteren, totdat ze ten prooi vielen aan de charmes van een gespierde, welbespraakte Antilliaanse loverboy en zich op een onbewaakt moment door zo’n getatoeëerde aap lieten aanduwen in het materialenhok van het gymlokaal. Dag ambities, hallo oneervol ontslag en een leven achter de kassa van de plaatselijke buurtsuper.

Een instelling als deze was geen plek voor vrouwen – medewerksters noch ter beschikking gestelden.  Vrouwen waren hoeren, allemaal. Altijd wanhopig op zoek naar een beetje aandacht of, nog erger, naar geld van het sterkere geslacht. Alles werd uit de kast getrokken. En dat leidde af. Je kon nog zo ver gevorderd zijn in je behandeling, met een kut en een stel tieten in de buurt was het oppassen geblazen. Zedendelinquent of niet: voor je het wist deed je iets doms, werden al je verloven ingetrokken en kon je weer opnieuw beginnen. Martin had het in de vorige kliniek al tientallen keren zien gebeuren. Zelf had hij de verleiding ook weleens niet kunnen weerstaan: hij bleef natuurlijk ook maar een mens. Anna heette ze, en voor een tientje mocht je achter het houten schuurtje in de tuin van de longstayers met haar doen wat je wilde. Anna had in een ver verleden haar ex-vriend om zeep geholpen en verbleef al ruim tien jaar in de kliniek. Ze woog minstens 130 kilo en had geen tand meer in haar mond, maar ze was zo achterlijk dat ze van voren niet wist dat ze van achteren leefde en dat leek Martin wel zo veilig. Na de eerste keer bleek dat ze zelfs die tien euro niet waard was geweest: dat smerige wijf had hem een naar geval van gonorroe bezorgd. Vanaf dat moment mocht ze hem alleen nog maar pijpen en dat was prima; bovendien nog goedkoper ook. Toen Martin gisteren afscheid nam op de afdeling, gaf Anna hem een Maria-beeldje dat ze zelf had geboetseerd tijdens de creatieve therapie. Martin had het linea recta in de afvalbak gemieterd: Maria had zich omgedraaid in haar graf als ze het verkrachte stuk gebakken klei had kunnen zien. Bovendien wist je maar nooit wat Anna met dat ding had gedaan voordat ze het had ingepakt in afzichtelijk roze cadeaupapier.

Leontien opende met haar pasje de deur naar de longstay-afdeling: dit zou Martin’s afdeling worden. De hakken van Leontien klakten driftig op de witte plavuizen van de lange gang terwijl ze in een snelle pas voor hem uit liep. “Aan het einde van de gang zit de deur naar de binnenplaats, en als u die oversteekt komt u bij de zelfstandig-wonen huisjes.” Martin knikte. Die huisjes hadden ze in zijn vorige kliniek ook. Bedoeld om patiënten voor te bereiden op het resocialisatietraject waarin ze stap voor stap zouden moeten terugkeren in de samenleving. Veelal bewoond door pedofielen die al jaren binnen zaten. Vooral populair vanwege de televisie, de computer en de privacy: drie keer raden wat daar gebeurde. Je pikte ze er zo uit, die viezerien: papperige mannetjes van middelbare leeftijd met grijzend vlassig haar, een te korte spijkerbroek en een wit T-shirt dat ze daar bij in hadden gestopt. Liefst nog met een Mickey Mouse-afbeelding erop. Al vanaf de invoering van het TBS-systeem zagen behandelaren zich voor een impasse gesteld: had het wel zin om deze patiënten therapie te geven? Pedofilie was immers niet te genezen. Toch werd nog altijd de één na de andere pedofiel op verlof gestuurd, ze gedroegen zich namelijk allemaal voorbeeldig in de kliniek en werkten mee aan hun behandeling. Sommigen beweerden zelfs op wonderlijke wijze ineens niet meer op kinderen te vallen en werden jubelend terug de samenleving ingestuurd. Om uiteraard na een paar maanden weer binnengehaald te worden vanwege een ‘recidive-incident’. Als het aan Martin lag, was de oplossing simpel: een dodelijke combinatie van medicijnen was zo gemaakt. Martin’s mening was volkomen op praktische redenen gebaseerd. Deze patiënten kostten handenvol geld en je had er helemaal niets aan: mensen die beweerden dat hun halfstijve roze worstje in een klein jongetje steken de puurste vorm van liefde was, waren volkomen nutteloos voor deze maatschappij.  De doodstraf zou voor alle partijen een verlossing zijn. Martin zou de verlosser zijn. In dit geval, en alleen in dit geval, heiligde het doel de middelen.

Hoewel Martin in eerste instantie had tegengestribbeld toen zijn overplaatsing bekend werd gemaakt, had hij zich al snel neergelegd bij zijn lot. Hij had eieren voor zijn geld gekozen toen hem werd beloofd dat hij in ieder geval een eigen kamer zou krijgen. Martin wist bovendien dat het slechts een kwestie van tijd was voordat hij zijn vorige kliniek had moeten verlaten: vanwege bezuinigingen werd deze gesloten. Martin had veertien jaar in deze instelling doorgebracht en hoewel hij het er prima naar zijn zin had, zag hij ook de voordelen van een nieuwe omgeving in. Hij zou nieuwe mensen leren kennen en misschien wel inspiratie opdoen voor het boek dat hij al zo lang wilde schrijven. Toen hij ruim veertien jaar geleden voor het eerst zijn vorige kliniek binnenstapte, was dat zijn voornaamste doel geweest. Hij had schrijver moeten worden, dan was alles goed gekomen.

Hoewel Martin al in zijn vroege puberteit ontdekte dat hij met zijn geschreven woorden menig lezersoog tot tranen wist te roeren, vond zijn moeder dat hem met zijn hoge intelligentie een betere toekomst stond te wachten: Martin moest studeren; medicijnen studeren. Arts worden, mensen helpen. Of eigenlijk bakken met geld verdienen, maar dat kon zijn puriteinse moeder natuurlijk niet zeggen. De toekomst die zij voor Martin had uitgestippeld was volgens haar niet om haar eigen status te behouden, zeker niet om haar eigen financiële toestand veilig te stellen; dit was slechts een voordelige bijkomstigheid. Martin’s moeder was immers vroom in hart en nieren. Martin deed wat zijn moeder van hem vroeg. Hij was zich er toen nog niet van bewust dat alle vrouwen hoeren waren;  had hij het maar geweten. Gelukkig was er niets wat je met een paar pilletjes niet kon oplossen. Daar konden geen hart en geen nieren tegenop.

Leontien opende opnieuw een deur met haar pasje. Dit moest zijn kamer zijn. Martin zag dat rechts op het raam al een naambordje was bevestigd:

Dr. M. Müller

psychiater

Botten blijven platvis

‘Zend een ezel naer Parijs, hy komt t’huys al even wijs. Daer en valt niet van te zeggen: De botten blijven plat-visch.’
– De Brune

Vroeger, toen ik een jaar of tien was, ontdekte ik het vissen: ik heb met mijn vriendjes heel wat meivakanties aan Friese sloten en meren doorgebracht. Wat me er precies in aantrok weet ik niet: misschien was het de spanning van het wachten tot je beet had, of het friemelen aan wormpjes die als aas fungeerden, of misschien was ’t het machtsgevoel dat je kreeg als je zo’n arm voorntje eenmaal binnen had gehaald: als tienjarige het leven van een vis in je handen hebben geeft een kick. En dat hebben die vissen geweten ook. Het was maar net hoe onze visserspet stond: soms haalden we het vishaakje uiterst professioneel los en lieten we onze prooi barmhartig weer te water gaan, maar menig slootbewoner stond een stel sadistische kinderhanden te wachten. Want wat zijn er veel manieren om een vis te martelen… Ik zal niet in detail treden, maar laat ik zeggen dat onze vaste visplek regelmatig meer aandeed als een crime scene vol bloed, slijm en schubben (forgive me Father, for I have sinned…)
Later, toen het vissen een excuus werd om met diezelfde, inmiddels puberende, vriendjes achter het riet in het gras urenlang aan elkaar te kunnen liggen frunniken (hey! friemelen aan wormpjes!), was er voor die foltering geen tijd meer en lagen de hengels vaak zonder aas slechts als dekmantel in het water.
En wat schiep dan vaak mijn verbazing? Zelfs zonder aas hapten die domme vissen in het haakje. En dan stond hen een urenlange kwelling te wachten: met een weerhaakje in hun bek waren ze al spartelend gedoemd urenlang te wachten tot eindelijk die hengel omhoog werd gehaald. Natuurlijk hadden mijn vriendjes en ik inmiddels ontdekt dat er spannendere dingen bestonden dan vissen martelen, dus haalden we ze keurig van het haakje en lieten we ze weer los. Soms haalden we echter de hengel uit het water en vonden we alleen nog een kledderig, bebloed stuk vissenlip aan het haakje.
Ik heb me altijd vreselijk afgevraagd waarom die vissen in godsnaam in dat scherpe haakje hapten terwijl er geen stukje brood of meelworm aan hing. Waren ze gewoon zo dom dat ze overal in hapten? Of bestonden er masochistische vissen? Inmiddels begrijp ik dat niet alleen vissen, maar ook mensen in haakjes zonder aas happen. Ik betrap mezelf er ook af en toe op. Als je je, als vis in het water, als een vis op het droge voelt, dan bijt je gewoon in die haak. (Bent u de draad al kwijt?)
Omdat het je toch allemaal niet meer kan schelen. Omdat alles beter is dan dat doelloos rondzwemmen. Je hapt, en dan is er geen weg meer terug. Daar hang je dan te spartelen. Dat hou je een tijdje vol, maar er komt een moment dat je moet kiezen. Blijf je hangen aan dat lijntje, wachtend tot en niet wetend wanneer je wordt losgehaald en (hopelijk) zachtjes teruggegooid in het water? (Bent u al afgehaakt?)
Even pijnlijk, maar je overleeft het wel. Of scheur je jezelf los, laat je een deel van jezelf aan dat haakje hangen en zwem je hevig bloedend weg, in de hoop dat je het overleeft? En moet je dat eigenlijk wel hopen? Het is uiteindelijk maar een kwestie van tijd voordat je weer aan zo’n haakje hangt: botten blijven immers platvis.

Onder de douche

Vandaag brak ik de eerste aan, de eerste van de vele cadeauverpakkingen die ik met de feestdagen heb mogen ontvangen. Dove, Therme, Rituals, ik had keuze genoeg. Ik koos voor Dove, mijn minst favoriete merk, waarom weet ik ook niet. Waarschijnlijk gewoon uit haast, ik stond namelijk al half onder de douche toen ik erachter kwam dat de zeep op was.

Goed, Dove werd het dus en nadat ik mijn haren had gewassen, begon ik me van beneden naar boven nietsvermoedend in te zepen met het nieuwe stuk Dove. Ik was ongeveer bij mijn navel toen de tranen me in de ogen sprongen. Ineens rook ik het. Dit was niet alleen de geur van het groene blokje wasmiddel, dit was de geur van sinaasappelthee. Dit was de geur van groentesoep in doorzichtige groene kommen. Dit was de geur van maanzaadbroodjes met chocoladehagel en veel te veel boter. De geur van vers geperst sinaasappelsap met ´stukjes´, van cryptogrammen en synoniemenwoordenboeken, van belspelletjes en van de herhaling van The Bold and The Beautiful.

Dit was de geur waarin ik vroeger ´s morgens met een washandje werd afgeschrobd. Ineens zag ik het weer voor me: de wastafel vol crèmepjes, het roze douchematje, mijn kleine badjasje aan het haakje op de deur. En ik voelde het weer: de tocht die via de balkondeur onder het vergeelde douchegordijn door mijn blote voetjes bereikte, hoe ik na het douchen met gespreide armpjes en beentjes van top tot teen werd afgedroogd en in mijn blauwe badjas werd gehesen, hoe ik met mijn natte, net gekamde haren aan de ontbijttafel genoot van de stem van de meneer die het nieuws voorlas op radio 1, terwijl ik uiterst voorzichtig dronk uit het glas sinaasappelsap vanwege de ‘stukjes’. Hoe ik stiekem de boter van mijn boterhammen schraapte als ze even niet keek.

Ik dacht aan hoe erg ik het vroeger vond als ze zo boos naar me keek omdat ik moest huilen als ik water in mijn ogen kreeg. En aan hoe ik waarschijnlijk precies hetzelfde had gekeken toen ruim tien jaar later de rollen waren omgedraaid: als zij moest huilen omdat ze van mij haar kleren niet aan mocht houden tijdens het douchen.

Een naam op de kalender

Zij liet het glitters regenen vanbinnen. Zij liet mijn hart exploderen, gewoon omdat ze bestond. Zij liep ergens rond, zij praatte met iemand, zij las iets, zij lachte ergens om, zij luisterde ergens naar. En ik wilde daarbij zijn. Ik wilde haar meemaken. Ik wilde haar aanwezigheid voelen. Zij was het. Hoe graag ik ook wilde dat ze het niet was, hoe graag ik ook wilde dat het iedereen was behalve zij; ze was het. Ik had maar twee seconden nodig gehad om dat te zien, maar ik had er tijden over gedaan om het te accepteren. Ik moest weg, weg van hier, weg van haar. Ik moest hier zo snel mogelijk vandaan zien te komen, en dat moest ongezien gebeuren. Een gesprek met haar zou nu alles verwoesten. Ik zou het niet meer kunnen verbergen en ze zou het aan me zien. Ze zou zien dat ik al weken niet kon slapen omdat ik aan haar dacht. En als ik wel sliep, dat ik dan over haar droomde. Dat ik in paniek raakte als ik wakker werd, omdat zij niet in de buurt was. Dat iedere dag een gevecht was, een gevecht tegen de overgave: naar haar toe rennen, hijgend bij haar aankloppen, binnenstormen zodra ze de deur open zou doen en alles aan haar vertellen. Eerlijk zijn. Huilen. Schreeuwen. Eindelijk dichtbij zijn. Het was al te laat: ze had me gespot. Ze liep naar me toe en ik voelde haar een kus op mijn wang drukken. Met trillende handen zette ik mijn glas bier op de bar. “Hoe is het?” Met veel moeite overschreeuwde ze de muziek. Ik knikte. Verderop, op de dansvloer, zag ik mijn vriendin voor de zoveelste keer een nummer aanvragen bij de DJ. “Gaat het wel goed?” Ze pakte mijn hand vast. Opnieuw knikte ik en ik probeerde te glimlachen. Ze keek bezorgd. “Als er iets is, dan zeg je het hè?” Met alle macht onderdrukte ik de tranen die achter mijn oogleden prikten. “Wil je me echt niets vertellen?” Ik schudde mijn hoofd, mompelde iets over het toilet en liep weg. Natuurlijk wilde ik haar iets vertellen. Ik wilde haar vertellen hoe vreselijk gek ik op haar was. Dat ik wist dat ik haar op een veel te hoog voetstuk had geplaatst, maar dat ze daar nooit van af zou vallen, omdat ze in mijn ogen niets verkeerd kon doen. Dat ik haar bewonderde. Om haar intellect, om haar humor, om haar fijngevoeligheid, om haar positieve energie. Om hoe mensen op haar reageerden als ze een ruimte binnenliep. Om haar bescheidenheid. Om haar nuchtere instelling en tegelijkertijd om haar filosofische uitspraken. Om haar sterke morele overtuigingen. Om haar creativiteit, om haar doorzettingsvermogen, om haar moed, om haar overweldigende kracht. Om haar beheersing, waarvan ik zo hoopte dat ze hem eens zou verliezen. Om haar scherpe inzichten, om haar prikkelende opmerkingen, om haar ondeugende blikken. Om haar heerlijke geur, die eigenlijk nergens naar rook: niet naar parfum, niet naar shampoo, alleen naar haar. Om de sproetjes op haar neus en om haar wenkbrauwen die veel te donker waren voor haar haarkleur. Om haar blauwe sneakers en om haar groene trainingsjasje. Om haar grote grijnzen, om haar geruststellende glimlachjes en om haar stralende schaterlach. Om alles wat ze was en om alles wat ze niet was. Maar vooral om wat ze met me deed en wat geen enkele vrouw ooit met me had gedaan. Omdat ik niets liever wilde dan met haar praten, maar niets tegen haar durfde te zeggen als ze voor me stond. Omdat ik zo dicht mogelijk bij haar wilde zijn, maar haar toch op een afstand hield. Want ik wist dat ik voor haar niets meer was dan een naam op de kalender. En dat ik ook nooit meer zou worden.

Stanley

Ik had het eerst niet zo op hem. Deels omdat ik gewoonlijk niets heb met van die gespierde, behaarde, donkere types zoals hij, en deels omdat hij zo snel en plotseling bij ons was komen wonen. Onze vorige huisgenoot was het huis nog niet uit of er stond alweer een nieuwe op de stoep. Ik kwam hem die dag tegen op de overloop, toen ik ‘s morgens van mijn slaapkamer naar de badkamer liep. Hij liep daar rond alsof hij altijd al in ons huis had gewoond. Ik besteedde verder geen aandacht aan hem.

Stanley was erg op zichzelf: hoewel hij altijd thuis was, zag ik hem soms dagen niet. Maar omdat hij zo rustig was, wende ik snel aan mijn nieuwe huisgenoot. Ik vond het wel een fijn idee, dat ik nooit alleen thuis was. Hij was altijd maar een paar kamers verderop.

Weken gingen voorbij. Af en toe kwamen we elkaar ’s morgens tegen op de trap of op de overloop en dan glimlachte ik even naar hem. Ik had hem verkeerd ingeschat. Stanley was anders dan de rest: hij hoefde niet te imponeren, hij had geen behoefte aan aandacht. Hij had genoeg aan zichzelf. Hoewel we nooit meer uitwisselden dan zo nu en dan een blik, raakte ik op hem gesteld. En hij ook op mij, merkte ik.

Want toen ik op een maandagochtend half slaapdronken de douche aanzette, mijn pyjama uittrok en toen pas het licht aandeed zat hij daar op de grond, naast de wasmachine. Daar stond ik dan, poedelnaakt, en even schrok ik, maar ik stuurde hem niet weg. In plaats daarvan stapte ik zonder iets te zeggen onder de douche. Ik waste mijn haren, poetste mijn tanden en keek af en toe naar Stanley, die rustig heen en weer zat te wiegen. Hij keek niet naar me. Of nou ja, misschien wel, maar niet op een vervelende manier.

De dag daarna zat hij er weer toen ik de badkamer binnenkwam. En de dag daarna ook. En opnieuw gingen er weken voorbij. Ik betrapte mezelf erop dat ik ’s morgens wakker werd en me erop verheugde om Stanley weer te treffen in de badkamer. Af en toe zette ik tijdens het douchen de radio aan en neuriede ik zachtjes mee. Ik wist dat andere mensen me voor gek zouden verklaren als ik ze zou vertellen van ons ochtendritueel, maar dat maakte me niet uit. Het was gezellig met Stanley, ook al zei hij nooit iets. Ik vond het fijn dat hij daar gewoon zat te genieten van het uitzicht en dat hij nooit toenadering zocht. Hij hield altijd gepaste afstand.

Toen gebeurde er iets vreselijks. Op een zekere vrijdagochtend werd ik wakker en realiseerde ik me dat ik door de wekker heen was geslapen. Tijd om te douchen had ik niet. Ik hees mezelf in de kleren die naast mijn bed lagen en vertrok gehaast naar college. Pas toen ik in de collegezaal zat, realiseerde ik me dat Stanley waarschijnlijk op me had zitten wachten. Ik wist na afloop van het college niet hoe snel ik thuis moest komen.

Ik stormde de trap op, rukte de badkamerdeur open en daar hing hij. Aan de deurpost. Zijn lijf en ledematen maakten woest allerlei onnatuurlijke bewegingen. Hij leek op geen enkele manier meer op mijn Stanley. Hij maakte me bang. Dit was dus waarom ik me nooit inliet met types zoals hij. Ik maakte hem los van de draad waaraan hij hing en door hem op te vangen kon ik nog net voorkomen dat hij op de grond viel. Met mijn rechterhand pakte ik hem eens goed vast en kneep ik zo hard als ik kon. Toen ik uiteindelijk losliet, zag ik de rode vlek in mijn handpalm. Stanleys opengesperde ogen keken me vragend aan. Alle acht.

Fuck you, Sinterklaas

Dag Sinterklaas,

Het hele jaar ben ik braaf geweest
In afwachting van uw verjaardagsfeest
En ja, ik weet het, ú bent jarig
Maar wat ik vond in mijn schoen was wel erg karig

Ik heb geen vliegtuigen uit de lucht geschoten
Geen homoseksuelen opgesloten
Ik heb geen vrouwen tot prostitutie gedwongen
Ben niet bovenop een scheidsrechter gesprongen

Ik heb geen paarden met messen bewerkt
Niets op zwarte pieten aangemerkt
Ik heb John en Linda niet gechanteerd
Geen bejaarde vrouwen in hun huis onteerd

Ik heb geen onschuldige journalist onthoofd
Omdat hij niet in ISIS gelooft
Ik heb geen jonge scholieren ontvoerd
Geen hockeymeisjes in kleedkamers beloerd

Ik vroeg niet om wond’ren of vrede op aard
Maar een iPhone zes ben ik toch wel waard?
En zeg niet dat u mijn verlanglijst niet gelezen hebt
Ik zag twee blauwe vinkjes nadat ik u had geappt

Ik hoef geen pepernoten en geen aai over mijn bol
Douw die chocoladeletters lekker in uw hol
En uw paupercadeau´s die blief ik niet
Stop maar in ´t zwarte gaatje van stroopwafelpiet

Dus voordat u morgen de aftocht blaast,
Wil ik nog even zeggen: fuck you, Sinterklaas.